forevr
Gidsen

Een gedicht voor de uitvaart: teksten die u vrij mag gebruiken

Julien

Julien

Oprichter van forevr

5 min leestijd

Een gedicht voor een uitvaart is bij voorkeur kort — onder de twintig regels — en lijkt op uw dierbare, niet op wat er gewoonlijk bij een afscheid wordt gelezen. ‘O, als ik dood zal, dood zal zijn’ van J.H. Leopold, ‘De tuinman en de dood’ van P.N. van Eyck en ‘Moederken’ van Guido Gezelle zijn vrij van rechten: u mag ze voorlezen, afdrukken en overnemen. Alle drie staan hieronder volledig.

Een tekst kiezen is al een eerbetoon. In de dagen na een overlijden komen eigen zinnen niet, of ze komen vals; een gekozen gedicht is al geschreven en beproefd, en laat u al uw aandacht om het uit te spreken. Wilt u toch zelf schrijven, dan staat de weg in een toespraak voor de uitvaart schrijven.

Wat hardop overeind blijft

Een gedicht voor vijftig mensen gedraagt zich anders dan in een leesstoel.

De lengte. Boven de twintig regels verslapt de aandacht en vermoeit de stem. Kort en langzaam draagt verder dan lang en snel.

De zinsbouw. Regels die elk op zichzelf staan, houden beter stand dan een zin die over vier regels doorloopt: hardop kan niemand terugbladeren.

Het concrete. Een plek, een uur, een gebaar dragen verder dan een abstract beeld.

Lees het thuis één keer helemaal hardop voordat u het vastlegt: sommige teksten die op papier houden, breken bij de derde regel.

Drie gedichten, volledig

‘O, als ik dood zal, dood zal zijn’, J.H. Leopold

Voor een partner. Gesproken door wie sterft tot wie blijft; de dood heet hier ‘een wachten’. Leopold overleed in 1925; de spelling is die van zijn tijd.

‘O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleeke oogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.

En ik zal niet verwonderd zijn;
in deze liefde zal de dood
alleen een slapen, slapen gerust
een wachten op u, een wachten zijn.’

‘De tuinman en de dood’, P.N. van Eyck

Het bekendste Nederlandse gedicht over de dood, en het minst zoete: voor een zaal die geen troostwoorden verdraagt. Van Eyck overleed in 1954; sinds 1 januari 2025 is de tekst vrij.

Een Perzisch edelman

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: ‘Heer, Heer, éen ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!’ –

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

‘Waarom,’ zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
‘Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?’

Glimlachend antwoordt hij: ‘Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan.’

‘Moederken’, Guido Gezelle

Voor een moeder of een grootmoeder. Geschreven in 1891, over een moeder van wie geen portret bestond, en over het enige beeld dat er wél was: in hem. Gezelle overleed in 1899.

't En is van u
hiernederwaard,
geschilderd of
geschreven,
mij, moederken,
geen beeltenis,
geen beeld van u
gebleven.

Geen teekening,
geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van steene,
't en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt,
alleene.

o Moge ik, u
onweerdig, nooit
die beeltenis
bederven,
maar eerzaam laat
ze leven in
mij, eerzaam in
mij sterven.

De namen die u kent, en waarom ze hier niet staan

Toon Hermans, M. Vasalis (‘Sotto voce’), Hans Andreus en Bram Vermeulen zijn op Nederlandse uitvaarten de meest gelezen dichters. Hun werk is nog beschermd: in Nederland en België vervalt het auteursrecht zeventig jaar na de dood van de maker, gerekend vanaf 1 januari van het jaar daarop. Voorlezen in de kring van familie en vrienden is doorgaans geen probleem; de tekst afdrukken op de rouwkaart, in het boekje of op een pagina online is een verveelvoudiging, en daarvoor is toestemming van de uitgever nodig.

Hoe u het inleidt, in twee zinnen

Een gedicht dat uit het niets komt, blijft literatuur; ingeleid wordt het een eerbetoon. Twee zinnen volstaan: waar deze tekst voor u vandaan komt, en waarom juist deze.

‘Kees had niets met gedichten. Dit is het enige dat hij uit zijn hoofd kende, omdat hij het op school had moeten leren en het nooit meer kwijtraakte.’

Lijkt een lied meer op hem of haar, zie dan muziek voor een uitvaart; voor de hele toespraak is er de hoofdgids.


Teksten overgenomen op 29 september 2026 van dbnl.org: Leopold, O rijkdom van het onvoltooide (1977); Van Eyck, Verzameld werk, deel 2 (1958); Gezelle, Dichtwerken, ed. Baur (1949-1950).

Hierna lezen